Aan S. heb ik nu 15 individuele lessen van 1,5 uur gegeven. Ik ben erachter gekomen dat haar leerstijl  veel auditiever is dan ik dacht.  En dan zij dacht .

Ik ging ervan uit dat ze visueel ingesteld was. Ze maakte immers tijdens de les haar eigen woordenlijsten in haar schrift, met vaak het synoniem erbij, plus vaak een voorbeeldzin voor de context . Dat kostte wel veel tijd, vond ik, maar het zag er mooi uit, overzichtelijk. Een goede manier om nieuwe woorden te leren voor een visueel ingesteld iemand, dacht ik. Ik herkende het: zo werkte ik vroeger  op school ook aan de uitbreiding van mijn woordenschat voor de moderne vreemde talen.
Wel nam ze de laatste weken vaak een deel van de les op haar IPhone op. Ik besteedde er nauwelijks aandacht aan; ze vond het waarschijnlijk handig om het thuis terug te kunnen luisteren.  Het lukte namelijk niet altijd om alles op te schrijven tijdens onze lessen.

De resultaten van al haar inspanningen blijven echter uit. Haar woordenschat is na 15 weken eigenlijk niet naar verwachting gegroeid.

Vorige week heb ik dit aan de orde gesteld  en ik heb haar ook gevraagd hoe ze die opnamen eigenlijk precies gebruikte. Toen bleek dat ze thuis heel vaak opnieuw naar de les luisterde om op die manier de nieuwe woorden te leren.  En dat ze die mooie lijstjes in haar schrift eigenlijk niet of nauwelijks meer overlas. Ze maakte die lijsten omdat ze dat nu eenmaal zo geleerd had op school.

Wat een ontdekking!

We hebben afgesproken  dat ik vanaf deze week meer aandacht ga besteden aan het inspreken van de nieuwe woorden op haar  IPhone, en dat ze veel minder gaat opschrijven.

Ik hou jullie op de hoogte van de resultaten!

Advertenties

Een cursist van mij beheerst na een verblijf van ruim een jaar in Nederland voor 90 % de Nederlandse taal. (Op weg naar niveau C1 volgens het ‘Europees Referentiekader’).  We startten met een korte, intensieve individuele training NT2 en daarna volgden twee trainingen van 30 uur,  met een frequentie van 2 uur per week. We zijn nu op de helft van de tweede training.

Een bijzonder resultaat, eigenlijk het beste resultaat dat ik ooit in zo’n korte tijd met een deelnemer heb bereikt .  Wat een geweldig talent, vindt iedereen. Hij wordt dan ook alom geprezen. Als docent krijg ik ook veel complimenten. We zijn er dus allebei blij mee.

Hij heeft een hoge functie in het bedrijfsleven. Op zijn werk gaat sinds enige tijd eigenlijk alle communicatie met zijn collega’s het Nederlands. MAAR: bij bijvoorbeeld het formuleren van een zorgvuldige mening over een complex probleem  heeft hij die resterende 10 % toch wel nodig. Zijn talent (“Zo snel zo’n hoog niveau!”. En: ”We kunnen nu alles in het Nederlands bespreken. Geweldig!”)  zou op dit moment  zijn ‘zwakke plek’ kunnen worden, omdat hij op dergelijke momenten zijn ideeën en opvattingen niet volledig onder woorden kan brengen.

Wat te doen? Afspreken met zijn collega’s dat hij op de momenten dat hij er behoefte aan heeft alsnog overgaat op de Engelse taal? Hij kan zich namelijk wel 100% uiten in het Engels, net zoals overigens de meesten van zijn collega’s.
Of: het  zo laten? Op dit moment gaat  zijn niveau langzaam nog verder omhoog. Wellicht is het dan niet raadzaam om weer regelmatig Engels te gaan spreken. (Dit is trouwens de reactie van de meeste collega’s.)

Als je wilt reageren: graag !

Een van mijn observaties:

Als een tweede-taalleerder de woorden op de juiste plaats in de zin kan plaatsen maar wel nog een beperkte woordenschat heeft, beoordelen de meeste Nederlanders dat positiever dan wanneer hij of zij een grote woordenschat heeft, maar nog veel fouten in de woordvolgorde maakt. De waardering  van opdrachtgevers voor de resultaten van  mijn taalcursussen wordt hier vaak door beïnvloed.  Als de cursist na afloop een goede zinsstructuur kan produceren, waardeert de opdrachtgever dat meer dan wanneer er sprake is van alleen een vergrote woordenschat.

Voorbeelden:
‘Morgen ga ik naar de vakantie’ wordt positiever gewaardeerd dan ‘ Morgen ik ga op vakantie.’
En: ‘Ik drink watter omdat ik veel dorst ben’ positiever dan: ‘Ik drink water omdat ik heb veel dorst’.

Als ik naar mijzelf kijk:  ik merk  dat ik – in stilte – een fout in de woordvolgorde direct herstel, bijna dwangmatig. En dat ik dat niet op die manier doe als iemand een verkeerd woord gebruikt, of niet het goede accent toepast. Daar besteed ik  – in mijn hoofd – minder aandacht aan.

Dit zou mijns inziens te maken kunnen hebben met ons brein, waarin de structuur van een zin als het ware vastgesteld, verankerd lijkt te zijn. Aha: Chomsky!
Mijn interesse voor het aanleren van de goede woordvolgorde is al lang geleden ontstaan. Toen ik  in 1967 in Amsterdam startte  met de studie Nederlandse Taal en Letterkunde,  ben ik een periode bezig geweest met de toen nieuwe opvattingen van Norman Chomsky. Een enthousiaste groep taalkundigen op de Universiteit van Amsterdam raakte gecharmeerd van Chomskys ‘generatieve taalkunde’, en ik ging erin mee. Hij ging uit van het aangeboren karakter van het menselijk taalvermogen. Er zou zelfs sprake zijn van een ‘universele grammatica’. Kinderen kunnen daardoor betrekkelijk probleemloos binnen enkele jaren alle ingewikkelde grammaticale regels van hun taal onder de knie krijgen. De steeds groeiende woordenschat van kinderen kan vervolgens in die structuur ‘gehangen’ worden.

Er kwam later veel kritiek op zijn ‘generatieve paradigma’.  De aanwijzingen voor het aangeboren karakter van het menselijke taalvermogen zouden niet zo sterk zijn als Chomsky en zijn volgelingen denken. Het debat over deze kwestie duurt tot op de dag van vandaag voort.

Ik heb me er na mijn studie niet meer echt in verdiept, maar het concept van Chomsky spreekt mij dus nog steeds aan, gezien mijn observatie. Ik besteed dan ook veel aandacht aan de woordvolgorde in mijn lessen. Anders dan de meeste taalmethodes, waarin de woordenschat centraal staat. Het meest opvallende in deze methodes vind ik het uitbannen van ‘drills’ (oefeningen gericht op het inslijten van de zinsstructuur) in het lesmateriaal dat de laatste 20 jaar is verschenen, met uitzondering van de methode ‘Totaal’ van Anneke van den Broek en ‘Pingpong’ van Nicole van Schaijik. Misschien zijn er intussen ook andere methodes, maar die ken ik dan helaas nog niet.
(Over ‘Totaal’ schreef ik al in mijn 1e blog: ‘Ik hou niet van grammatica’.)

Graag hoor ik jouw mening over dit onderwerp.

De website van mijn bedrijf: www.mijnheerklein.nl

Zo nu en dan zie ik een discussie van vakgenoten voorbijkomen over het nut van hardop lezen in de lessen Nederlands als Tweede Taal. Hoewel de meesten deze opdracht eigenlijk iedere les geven, vragen veel docenten zich af of deze activiteit eigenlijk wel nuttig is.

Zomaar een stuk tekst hardop laten lezen heeft inderdaad weinig zin, heb ik ervaren. Maar wel kan het handig zijn bij het ontwikkelen van technisch lezen: bijvoorbeeld bij de behandeling van scheidbare werkwoorden kun je oefenzinnen hardop laten lezen, om na te gaan of de cursist  de scheidbare werkwoorden herkent.  Een voorbeeld: ‘Ze nemen de telefoon niet op volgende week.’ ‘Hij belt altijd aan bij de buren.’ Ook om woord- en zinsaccenten te oefenen is hardop lezen onontbeerlijk.

Maar: als het gaat om het aanleren van ‘de’ of ‘het’  is het echt noodzakelijk dat iemand (beginner én gevorderde) hardop gaat lezen.  
Vooral gevorderde deelnemers klagen dat ze van heel woorden nog steeds niet weten welk lidwoord erbij hoort, hoewel ze dagelijks heel veel Nederlandse teksten lezen. Mijn verklaring hiervoor is dat je bij het lezen (alleen met de ogen dus) ‘de ’of ‘het’  eigenlijk nooit  (bewust)  leest. Je hersenen hebben deze woordjes niet nodig om een zin te begrijpen, en daarom ‘skippen’ je ogen ‘de’ en ‘het’.  Dit geldt overigens ook voor veel andere korte woorden, zoals ‘er’.

Daarom geef ik altijd aan al mijn cursisten deze ‘gouden’ tip:
Lees  –  vanaf nu, iedere dag, in je eigen tijd  –   10 minuten hardop een stukje tekst. Neem daarvoor een tekst die aansluit bij jouw taalniveau en interesse, en doe het rustig.  Dan lees je namelijk  ‘de’ en ‘het’ wel, en doordat je de woorden uitspreekt worden ze ook nog eens via je oren opgeslagen in je ‘computer’.  
Maak er een vaste gewoonte van, gedurende een langere periode.

Deze tip geef ik zowel aan beginners als aan gevorderden. Met goede resultaten.

Stopwoorden gebruik je om jezelf even de tijd te geven om na te denken over het vervolg van de zin. Je wilt dan liever geen stilte laten vallen. De term ‘stopwoord’ is afkomstig van het werkwoord stoppen in de betekenis van opvullen. Vroeger stopte mijn moeder de gaten (‘knollen’) in sokken. Ze gebruikte daarvoor een glazen stopbal, ook wel maasbal genoemd, die onder het gat geschoven werd. Met speciale sokkenstopwol werd het gat vervolgens ‘gestopt’.

In onze denkpauzes zeggen we vaak eeeeh, enneeh, hmmmm. Bijna iedereen doet het, onbewust. Ikzelf waarschijnlijk ook. Goede sprekers weten deze ‘stopklanken’ te vermijden. Ik luister veel naar de radio. Na 1of 2 zinnen weet ik vaak al wie de journalist (geoefende eeeh-weglater) en wie de gast is.
Echte stopwoorden zijn bijvoorbeeld ‘zeg maar’, ‘of zoiets’, ‘weet je’, ‘dus’ .

Op ‘dus’ wil ik hier ingaan. Anderstaligen die al goed Nederlands spreken, blijven het Engelse stopwoord ‘so’ (of de vernederlandste, zachtere, versie ‘zo’) zeggen. Zelfs als Engels niet hun moedertaal is, hebben ze het stopwoord in hun vocabulaire geïntegreerd.
Gisteren vertelde een Duitse cursist me dat ‘so ’ook in het Duits veel gebruikt wordt. Dan is het een afkorting van ‘also’ (= dus). Hij gebruikt dat Duitse ‘so’ nu ook als stopwoordje als hij Nederlands spreekt.

Ik wijs mijn cursisten erop dat ze heel vaak ‘so/zo’ zeggen, terwijl ‘zo’ in het Nederlands een heel andere betekenis heeft:
zo = op die manier (Ik doe het altijd zo.)
zo = hèhè (met een zucht, als je iets afgerond hebt)
zo = erg, (Ik ben zó moe!)
zo = zo dadelijk (Ik kom zo)
zo = ‘zóho!’ (bewondering of afkeuring).

Maar de vertaling van het Engelse (Duitse) stopwoord ‘so’ naar ‘dus’ is geen vooruitgang, omdat ‘dus’ een voorbeeld van een lelijk stopwoord in het Nederlands is. Na ‘dus’ volgt namelijk meestal geen conclusie.
En als iemand een stopwoord zou willen verbannen: als je iets onbewust doet, is het lastig om dat te veranderen. Er is veel oefening voor nodig.

Over onbewust gesproken: misschien gebruik ik zelf ook vaak stopwoorden. Voor wie mij kent: laat het me weten!

Vorige week in de tram hoorde ik een jongen praten over het belabberde accent van zijn Marokkaanse vader. Zijn vader die tegen zijn buurman maar vol bleef houden dat hij ‘hoersubsidie’ kreeg, in plaats van huursubsidie’ hoewel de buurman de juiste uitspraak steeds herhaalde. De vader: “Ja, ja, hoersubsidie!”.  De jongen moest er zelf hard om lachen. Zelf kon hij de ‘lange u’ heel goed uitspreken

Sommige klanken in onze taal zijn inderdaad lastig voor anderstaligen. Voor de uitspraak van de  ‘lange u’ geef ik altijd de volgende aanwijzing:

Stel je voor dat je een citroen uitperst. Neem een flinke slok van het sap. Wat er dan in je mond gebeurt is dat alles samentrekt (ik doe het dan voor) en op dat moment  kun je het woord ‘zuur’ heel goed zeggen. En daarna ook ‘buurt’, ‘buurman’, ‘u’, ‘vuren’ en alle andere u’s.

Het komt vaak voor dat iemand die Nederlands wil leren een partner heeft die Nederlander is, of goed Nederlands spreekt. Of er zijn kinderen die de Nederlandse taal al heel goed beheersen. De heersende mening is dat dit het leerproces kan versnellen.
Het tegendeel blijkt vaak waar te zijn. Vanaf de eerste kennismaking hebben de partners gecommuniceerd in de taal die beide ‘partijen’ beheersen. Bijvoorbeeld het  Engels.  Voor beiden een tweede taal: communicatie op een gelijkwaardig  niveau.
Als de anderstalige start met een beginnerscursus Nederlands krijgt deze van de docent  vaak het advies om thuis zoveel mogelijk Nederlands te spreken.

Maar het taalniveau van de niet-Nederlandse partner is in het begin nog heel zwak. De communicatie is dan verre van gelijkwaardig. Mijn ervaring is dan ook dat het genoemde  advies meestal niet werkt. Of zelfs irritaties opwekt. De Nederlandse partner komt bijvoorbeeld in de rol van docent terecht. Of de kinderen lachen de ouder uit, of schamen zich voor hem of haar.

Mijn advies aan de cursist:
Spreek iedere dag een moment af om thuis 10 minuten (niet meer)  in het Nederlands te communiceren, over dagelijkse dingen. Bijvoorbeeld tijdens of rond de gemeenschappelijke maaltijd. Houd je aan de 10 minuten. Zet de eierwekker!

Dit blijkt heel goed te werken. Het is op die manier voor iedereen duidelijk dat het een oefensituatie is.

Na enkele weken kan de tijd verlengd worden, naar eigen inzicht.

Ik heb trouwens een keer een briefje aan een12-jarige dochter van een (gevorderde) cursiste geschreven. Met het verzoek om wat meer geduld te hebben met haar moeder als zij thuis Nederlands probeerde te spreken. Omdat ik begrip toonde voor haar ongeduld, en omdat ik iemand van buiten was,  accepteerde ze het. Het ging direct beter in de thuissituatie en na korte tijd sprak de moeder thuis steeds Nederlands, ook al was het nog niet  ‘perfect’.

Benieuwd naar ervaringen van anderen.
Graag reacties!